24 uur in... Charleroi

24 uur in… is een onregelmatige serie reisverhalen waarin een bestemming vanaf 12 uur ’s middags 24 uur lang wordt bezocht. De bestemmingen zijn uiteenlopend van aard maar hebben gemeen dat ze binnen 6 uur reisafstand vanaf Den Helder liggen. In deze aflevering wordt de Belgische stad Charleroi bezocht.

door Jeroen Vogel, 15 februari 2026

De laatste keer dat ik in Charleroi was, was het stationsplein nog een grote bouwplaats. Die dag, een jaar eerder, was ik op de conventionele manier (dus niet per hogesnelheidstrein) onderweg naar Parijs en moest ik hier overstappen op de trein naar Maubeuge. Vanuit de trein leek de stad er alles aan te doen om je hier niet te willen laten zijn. Al die roestige, verlaten fabrieken en oude mijnen, het vele verval, de graffiti en het voor Belgische begrippen relatief hoge misdaadcijfer vormden bepaald geen uitnodiging om de boel eens nader te verkennen. Of juist wel...

Dat Charleroi bepaald geen toeristisch oord is, merk je zelfs aan het hotelaanbod. Er zijn er vele in de buurt van de luchthaven (Brussels South Charleroi Airport), maar niet in de stad zelf. In het centrum heb je naast een paar mensen die een slaapkamer verhuren een Novotel (vier sterren, score van 8,2 op Booking.com), een Ibis (drie sterren, score 6,7) en een jeugdherberg. Ik koos voor een privékamer met ontbijt in de jeugdherberg, omdat deze met een score van 8,7 en prima reviews nou eenmaal een financieel betere en idealistischer keuze leek dan beide ketenhotels. 

Het station van Charleroi heette eerst Sud, maar staat tegenwoordig op de borden als Charleroi-Centraal (met koppelteken). Het stationsplein was inmiddels klaar. Waar voorheen (getuige de foto op Google Maps) in ieder geval tot in 2022 een mooi ogend plein met klinkers en een monument voor de ingang van het stationsgebouw lag, stapte ik anno 2026 op een zee van betonplaten die hier en daar werden onderbroken met pas ingezaaide beplanting en een nogal verloren gepositioneerd manshoog beeld van het stripfiguur Robbedoes. Charleroi had dus gekozen voor een low-budget opknapbeurt in plaats van de optie met de fontein vol standbeelden en ornamenten - de Utrecht Centraal Methode.

Om Charleroi beter te begrijpen, begaf ik me direct - gezien de beperkte tijd - per bus naar een museum over mijnbouw. Een bezoek aan Bois du Cazier zou volgens de kassière zo'n twee uur duren. Het is gesitueerd in het bovengrondse gedeelte van een ondergrondse kolenmijn en combineert de mijn, een glasmuseum en een industriemuseum. De audiotour laat een dialoog horen tussen een man die in de mijn heeft gewerkt en het na alle aanpassingen niet meer als zodanig herkend en zijn vrouw die zijn verhalen aanhoort en hem aanspoort om vooral toch te vertellen. Evenals zoveel fabrieken en mijnen in Charleroi heeft ook Bois du Cazier leeggestaan. Na dertig jaar verval en vandalisme werd het complex herbestemd tot museum. Daarom is lang niet alles origineel en dienen veel objecten vooral om het verhaal te vertellen. 

Misschien werd er daarom in het narratief nadruk gelegd op een op het oog normale stalen trap. Het was de trap waarover 262 overleden mijnwerkers werden weggedragen na de Mijnramp van Marcinelle (zoals deze met Charleroi vergroeide plaats officieel heet). Op 8 augustus 1956 brak op 975 meter diepte een felle brand uit. De slachtoffers zaten als ratten in de val doordat de liftkabels knapten en de kooien naar beneden vielen. Vervolgens duurde de reddingsactie nog twee weken. Met de woorden "Tutti cadaveri" bevestigde men dat iedereen dood was. 

Over de trap schreef men op het informatiepaneel: 'Anonieme trap - tussen de hoger- en lagergelegen delen van de mijnvloer - waarvan de treden versleten geraakten onder de zware veiligheidsschoenen van de elektriciëns en monteerders die af en aan liepen tussen de ateliers en de schachten en vice versa. 

Anonieme trap - tot die 8ste augustus 1956, de dag waarop de trap werd betreden door het glimmende schoeisel van gekroonde hoofden en ministers, door het verniste leder van kerkelijke dignitarissen en de met spijkers beslagen zolen van de brancardiers van het regiment 2 Jagers te voet en zo een plaats kreeg in de Geschiedenis.'

Terug op het station liep ik de brug over de hier gekanaliseerde rivier La Sambre over. Een binnenvaartschip voer net voorbij en passeerde in deze relatief smalle watergang, even verderop, met het nodige vakmanschap een tegemoetkomend binnenvaartschip. Vooral door de hogere snelheid van dat tweede schip bleven meerdere mensen kijken, alsof ze anticipeerden op een mogelijke clash. Die bleef gelukkig uit.

De brug was in feite de overgang tussen het goedkoop ogende, betonnen stationsplein en het oude centrum, waar steeds meer gebouwen werden vernieuwd. Het blok aan de linkerzijde werd gedomineerd door het grote, witte Ibis-hotel. Het zag er slecht onderhouden uit en leek het enige gebouw in het blok te zijn dat niet leegstond. Alle panden eromheen waren leeg, gevandaliseerd en op de begane grond met houten platen dichtgetimmerd. Toch zag je nog steeds de historische schoonheid en waren ze zelfs in hun vervallen staat beter aangluurbaar dan de panden rechts, die op hun moderne manier veel te smakeloos waren om zich in deze omgeving te mogen vertonen. (Zelfs een gloednieuwe wijk als Almere Poort ziet er beter uit. Oké, toegegeven: als je naar de juiste plekt kijkt.) Mooie bakstenen gebouwen waren gesloopt om plaats te maken voor goedkope blokkendozen die hoognodig weer gesloopt moesten worden. 

In één van die nieuwe gebouwen, om de hoek aan de Rue du Bastian d'Egmont, bevond zich de jeugdherberg Arthur Rimbaud. Als ik dat had geweten, had ik voor drie tientjes meer wel het Ibis geboekt dat in een veel authentieker pand zat. Hoe dan ook, Ik checkte in in het hostel, maakte het bed op, nam even een uurtje voor mezelf en ging rond 18.30 uur weer naar buiten om een restaurantje te zoeken. Ik liep door geplaveide straten waar weinig verlichting was. Veel gebouwen waren donker, soms dichtgetimmerd, soms volop in gebruik. In de hoogste miskleun van Charleroi, het Albertcentrum van 82 meter hoog, brandde in welgeteld één vertrek nog licht. Dat beeld symboliseerde veel straten in het centrum.

Ik at die avond bij restaurant Asia, waar men een Engelstalig menu, zeer betaalbaar, heerlijk eten (inclusief een grote loempia die zo zwaar was belegd dat-ie alleen met mes en vork kon worden gegeten!) en koud bier had. De ober deed zijn best om Engels te spreken, maar het kostte hem duidelijk de nodige moeite. Ik vond dat alleen maar beter, omdat een reiservaring lokaler - en daarmee vele malen interessanter - wordt wanneer men zich níet aan de buitenlander aanpast. Een cultuur en een taal behoren tot een bepaald gebied en eenieder die van buiten komt, draagt de verantwoordelijkheid om die niet te vervuilen met externe invloeden. 

Rond 21.30 uur lag ik in mijn hostelkamer naar het bovenbed te staren toen de bel ging. De bel was een intercom. Wie buiten erop drukte, hoorde door de luidspreker een overgangstoon. Díe bel ging. Ook al zat ik op de bovenste etage van een vrij nieuw gebouw met dubbele beglazing in een raam dat dicht was, het klonk alsof ik zelf had aangebeld en voor de luidspreker stond tot de voordeur werd open gebuzz'd. Dit gebeurde zo'n zes keer per uur tot een uurtje of één 's nachts. Ik vermoedde dat dit jolige voorbijgangers waren, mensen die mentaal nog in hun kindertijd zaten, want het hostel was verre van volgeboekt. Het vreemde was natuurlijk dat dit een gloednieuw gebouw was - dat ook bestond uit appartementen en een binnentuin op de eerste verdieping - en dus niet (dermate) gehorig hoorde te zijn.

Ik wilde graag naar een stadsdeel met de verlaten en vervallen industriële complexen en liet mijn tas achter in de bagagekamer van het hostel. Op het stationsplein kocht ik een dagkaart voor de Métro Léger de Charleroi (MLC, voorheen prémetro) en nam de M2. Eerst ging de rit langs de Sambre, daarna over een brug richting het stadscentrum en na halte Tirou verdween de spoorbaan ondergronds.

De MLC is een interessant ding. Het is een gewone tram op smalspoor, maar wordt 'metro light' genoemd omdat het al snel functioneert als een metro (kruisingsvrij van overig verkeer). In het centrum bevindt zich de centrale ring - grotendeels ondergronds - en van daaruit gaan er diverse 'armen' naar de verdergelegen stadsdelen. Lange tijd was de baan in ruwbouw opgeleverd, maar duurde het nog decennia voordat er daadwerkelijk voertuigen reden. De MLC is een product van de wafelijzerpolitiek: als Vlaanderen een franc kreeg, kreeg Wallonië er ook eentje. De Kusttram kreeg 50 trams, dus kreeg de MLC dat ook - terwijl er maar 15-20 nodig waren. Zo werd de MLC één van de Grote Nutteloze Werken waar België er wel meer van heeft, maar men is nu zover dat al die betonnen spoorbakken steeds meer in gebruik worden genomen en de MLC een Groot Nuttig Werkje wordt.

Op station Waterloo, aan de noordkant van het centrum, stapte ik even uit om te zien hoe zo'n ondergrondse tramhalte annex metrostation is vormgegeven. Ik koos specifiek voor dit station omdat hier een paar aftakkingen leken te zijn. En inderdaad: de trams konden naar links en naar rechts, hoewel één aftakking nog niet werd gebruikt (volgens planning vanaf 2027). Er waren drie perrons (een zijperron en een dubbelzijdig gebruikt eilandperron), maar langs het zijperron lag geen rails. Op het onderste niveau lag de stationshal met enkele lege ruimtes die voorheen dienst deden als winkel of balie of kantoor. Ik liep er even rond en stapte op de volgende M2 om door te reizen naar station Dampremy.

Het was eigenlijk een station te vroeg, maar ik liep in de richting van hoge schoorstenen en brede pijpen die in de lucht hingen en andere bouwwerken met indrukwekkende afmetingen. Het werd een wandeling langs een brede weg die drukkere tijden had gezien. De oude (fabrieks)terreinen waren goed afgesloten met hoge hekken en scheerdraad. Het was duidelijk niet de bedoeling dat je erop kwam om als urban explorer een kijkje te nemen.

Een oude watertoren was niet langer waterdicht, maar had meer karakter dan Utrecht Centraal. Iemand had met graffiti het woord 'Boom' het naastgelegen pand geschreven. Ik hoopte dat het niet zou worden opgeblazen - tenzij de graffitiman de Nederlandse versie van dat woord bedoelde - maar herbestemd. In Den Helder is de watertoren tegenwoordig particulier bezit en bewoond. Dat zou hier ook een optie zijn. De juiste persoon kon er vast nog wat mee.

Ik nam de MLC terug naar de stad en stapte uit aan de rand van het stadscentrum, waar ik tegen de belfor van het stadhuis aanliep. Hier was Charleroi een alleraardigste stad met pleinen en horeca. De Place Vauban/Place Charles II (het plein heeft twee namen op Google Maps) was rond en deed denken aan een miniatuurversie van het Parijse plein waar de Arc d'Triomph staat, maar dan zonder Arc en veel kleiner, wel rond en straten in alle richtingen. Hier bevond zich ook de statige voorkant van het stadhuis en de Sint-Christoffelkerk, een wat povere kerk, maar zeker een bezichtiging waard.

De indruk die Charleroi wekte was tweezijdig. Enerzijds wordt er gewerkt aan de toekomst. Men maakt musea van vervallen mijnen, de MLC is bijna volledig van nutteloos naar nuttig getransformeerd, het station is gerestaureerd en voorzien van een volwassen naam (Centraal ipv Zuid) die recht doet aan de locatie en er wordt gebouwd, getuige de nieuwbouw van het hostel (en een overdekt winkelcentrum pal daarachter). Anderzijds is die nieuwbouw, inclusief het stationsplein, zo goedkoop, fantasieloos en kwalitatief ondermaats dat je daarin een gebrek aan eigenwaarde en zelfrespect kunt aflezen. Dat is zonde, want dit is een stad met enorme potentie in het centrum (zakelijk) en in de omliggende stadsdelen (woningen). Het heeft na het vertrek van zoveel industrie alleen een nieuw en krachtig motorblok nodig. 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.